Irregular and strong verbs - Onregelmatige en sterke werkwoorden

Strong verbs are actually regular, but their regularity works in quite a different way from weak verbs. Once you recognise the pattern, you have no need to learn every word individually, but until you do, that may be the best strategy. The patterns that occur in strong verbs have to do with vowel changes in the past tenses and/or with the ending of the past participle. Examples of strong verbs are brengen, blijven, geven, and wassen.

Irregular verbs do not follow any pattern, so you have to learn them by heart. Examples of irregular verbs are zijn, hebben, kopen and denken. All modal verbs are irregular.

Below you find a list with the most common irregular and strong verbs (excluding modal verbs) with their simple past tenses and past participles.

(z) indicates that the auxiliary zijn has to be used in the perfect tense.

aanbieden - bood aan - aangeboden to offer
aankomen (zie komen) (z) to arrive
afspreken (zie spreken) to arrange (to meet)
beginnen - begon - begonnen (z) to begin
begrijpen - begreep - begrepen to comprehend, to understand
bekijken (zie kijken) to look at
besluiten - besloot - besloten to decide
bestaan (zie staan) to exist
betreffen - betrof - betroffen to concern
bezoeken (zie zoeken) to visit
brengen - bracht - gebracht to bring
denken - dacht - gedacht to think
doen - deed - gedaan to do
doorverbinden (zie verbinden) to put through
dragen - droeg - gedragen to wear, to carry
eten - at - gegeten to eat
gaan - ging - gegaan (z) to go
genieten - genoot - genoten to enjoy
geven - gaf - gegeven to give
hangen - hing - gehangen to hang
hebben - had - gehad to have
houden (van) - hield (van) - gehouden (van) to like (things), to love (people)
inschenken - schonk in - ingeschonken to pour
kiezen - koos - gekozen to choose
kijken - keek - gekeken to look
klinken - klonk - geklonken to sound
komen - kwam - gekomen (z) to come
kopen - kocht - gekocht to buy
krijgen - kreeg - gekregen to get
lachen - lachte - gelachen to smile, to laugh
liggen - lag - gelegen to lie
lijken (op) - leek (op) - geleken (op) to resemble, to look like
lopen - liep - gelopen (h/z) to walk, to go
nemen - nam - genomen to take
ontbijten - ontbeet - ontbeten to have breakfast
opstaan (zie staan) to get up
oversteken - stak over - overgestoken (z) to cross
rijden - reed - gereden (h/z) here: to cycle; also: to drive, to ride
roepen - riep - geroepen to call, to shout
ruiken - rook - geroken to smell
schrijven - schreef - geschreven to write
slapen - sliep - geslapen to sleep
snijden - sneed - gesneden to cut
springen - sprong - gesprongen to jump
staan - stond - gestaan to stand
stijgen - steeg - gestegen (z) to rise
varen - voer/vaarde - gevaren (h/z) to sail
verbinden - verbond - verbonden to connect
verdwijnen - verdween - verdwenen (z) to disappear
vergelijken (zie lijken) to compare
vergeten - vergat - vergeten (h/z) to forget
verliezen - verloor - verloren to lose
verschijnen - verscheen - verschenen (z) to appear
verstaan (zie staan) to hear, to understand
vertrekken - vertrok - vertrokken (z) to depart
vinden - vond - gevonden to find
vragen - vroeg - gevraagd to ask
wassen - waste - gewassen to wash
wegen - woog - gewogen to weigh
weten - wist - geweten to know
winnen - won - gewonnen to win
worden - werd - geworden (z) to become
zeggen - zei - gezegd to say
zich gedragen (zie dragen) to behave oneself
zich scheren - schoor - geschoren to shave
zien - zag - gezien to see
zijn - was/waren - geweest (z) to be
zin hebben in (zie hebben) to fancy
zingen - zong - gezongen to sing
zitten - zat - gezeten to sit
zoeken - zocht - gezocht to look for

Top of page