VERBS
This is an exercise about verbs in Dutch. Type in the blank the verb of the sentences below. Pay attention to correct spelling! Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Waar ben je?
[Answer] ben
Morgen wordt het lekker weer.
Hij kan niets.
Wat is dat?
Jan en Sam begrijpen geen Engels.
Wanneer komen ze?
Mijn haar was ik straks wel.
Wandelen jullie graag in het park?
Anne woont in Rotterdam.
We zien hem niet.
De melk ligt op de grond.
Op die stoel zit mijn vader.
Zwemmen jullie elke dag?
Waarom luistert ze niet?
Gooi de bal!
Opent u de deur!
Hij zorgt goed voor zijn ouders.
Hoe laat is het?
Ze doen te veel voor haar.
Wat drijft hem?
Dit programma duurt erg lang.