SUBJECTS
This is an exercise about subjects in Dutch. Type in the blank the subject of the sentences below. Pay attention to correct spelling! Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Karel en Hans gaan naar huis.
[Answer] Karel en Hans
Morgen blijven we thuis.
Jan en zijn vrouw zijn erg leuk.
Wat ga je doen?
Ik hou van muziek.
Met de fiets rijdt hij nooit.
Gert en ik gaan naar de film.
Willen jullie een broodje?
De man met het rode haar roept naar het kindje.
Straks komen zijn vader en zijn broer.
Die broek en dat jasje zijn te klein.
Oma en opa liggen in het ziekenhuis.
Ze poetsen hun tanden.
Dit liedje ken ik niet.
De hond en de kat zitten buiten.
Het kind van de buren speelt buiten.
Gaan Patrick en jij naar de kroeg?
De schoenen van mijn vader zijn vuil.
De auto van mijn zus is erg oud
Waar wonen je ouders?
De vriendin van mijn moeder staat voor de deur.
Op de tafel ligt je bril.