SUBCLAUSES AND CONJUNCTIONS (1)
This is an exercise about the use of subordinating conjunctions in Dutch, and the effect they have on word order. Connect the two sentences using the conjunction in brackets. Turn the second sentence into a subordinate clause. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Ik studeer geschiedenis. Ik vind het interessant. (omdat)
[Answer] Ik studeer geschiedenis, omdat ik het interessant vind.
Ik strijk mijn jurk. Ik luister naar de radio. (terwijl)
We zwemmen elke dag. We vinden sporten leuk. (omdat)
Jan gaat werken. Hij is ziek. (hoewel)
Ik wil graag vertaler worden. Ik ben met mijn studie klaar. (als)
Hij doet eerst boodschappen. Hij gaat naar huis. (voordat)
Ze gaan naar Parijs. Het is lente. (wanneer)
Ik zal beginnen koken. Je bent terug. (wanneer)
Ze kopen een nieuwe auto. Ze hebben geen geld. (hoewel)
Hij eet geen vlees. Hij houdt van dieren. (omdat)
Mijn moeder bakt koekjes. We helpen met de schoonmaak. (als)
We gaan naar huis. Het wordt donker. (wanneer)
Ik krijg een nieuwe fiets. Ik haal goede resultaten. (als)
Hij vraagt. Ik wil een biertje. (of)
Ik koop bloemen voor mijn vriendin. Ze is altijd zo lief. (omdat)
Hij wast eerst zijn voeten. Hij gaat naar bed. (voordat)
Ze vragen. We vinden de kroeg leuk. (of)