RELATIVE CLAUSES
This is an exercise about the formation of relative clauses in Dutch. Incorporate the second sentence in the first one as a relative clause. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Ik ken de jongen. Hij speelt gitaar.
[Answer] Ik ken de jongen die gitaar speelt.
Het huis van mijn buren is mooi. Ze wonen rechts van me.
[Answer] Het huis van mijn buren die rechts van me wonen, is mooi.
John en Marjet hebben aardige buren. Ze komen vaak koffie drinken.
De leraar heet Freek. Hij doceert Nederlands.
De kinderen maken weel lawaai. Ze spelen buiten.
Het fototoestel is van mij. Het ligt op de tafel.
Ik zie het kind. Het staat te wenen.
[wenen: to cry]
We verkopen de auto. De auto rijdt niet meer.
Ze kijkt naar een film. De film gaat over dieren.
Ik schrijf een boek. Het boek wordt zeker een bestseller.
Mis je je broer? Hij woont in het buitenland.
Het café is gesloten. Het ligt hier vlakbij.
Mijn zus woont alleen. Ze is nooit thuis.
Ze lachen om een grapje. Het grapje is helemaal niet leuk.
Jan klopt op de deur. De deur staat open.
Mijn grootouders klagen altijd. Ze zijn al jaren ziek.
Ze geeft het kind een geschenk. Het kind is jarig.
De kast moet weg. Ze zit vol wormen.