RELATIVE PRONOUNS

This is an exercise about relative pronouns in Dutch. Select the correct missing pronoun. Use the 'check' button to correct your answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Example:
De muts _________ aan het haakje hangt, is van mij.
[Answer] die
1. De jongen daar staat, is mijn zoon.
2. Zijn dochter, morgen tien wordt, is een leuk meisje.
3. Jan, erg naïef is, weet nooit iets.
4. We zoeken naar een huis in het centrum ligt.
5. Ze wonen in een dorp erg rustig is.
6. De schoenen op de tafel staan, zijn vuil.
7. Mijn vrienden altijd in de kroeg zitten, drinken te veel.
8. Ze proeft van de melk zuur is.
9. Hij vindt de jas ik van oma kreeg, niet mooi.
10. Ik zit aan het tafeltje in de hoek van de kamer staat.
11. Jullie luisteren naar het gesprek hij met zijn moeder voert.
12. Hij eet enkel groenten uit zijn tuin komen.
13. We zoeken het hondje weg is.
14. De vrouw naast me zit, slaapt.
15. Ga je naar die winkel zo vroeg sluit?

vBulletin analytics