PRESENT TENSE - general (2)

This is an exercise about the formation of the present tense (singular and plural) in Dutch. Put in the blank space the correct form of the verb in brackets. Pay attention to correct spelling. Use the 'check' button to correct your answer. By clicking on 'hint' the next correct letter of the answer will be added. Click on '?' to see the correct answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Example:
We _________ een boek in bed.
[Answer] lezen
1. Hij vandaag, maar wij morgen. (komen)
2. Je moeder in het ziekenhuis. (werken)
3. Ik in Rotterdam, mijn broer in Den Haag en mijn ouders in Amsterdam. (wonen)
4. Ik ziek in bed, terwijl mijn zus en haar vriendin op het strand . (liggen)
5. Je deze broek niet leuk, maar wat je van die? (vinden)
6. Ik op een stoel, maar jullie op de tafel. (zitten)
7. Mijn ouders nooit bier, maar mijn moeder wel wijn. (drinken)
8. Hij het kind uit het water. (redden)
9. Jullie altijd als ik . (praten)
10. Hij niet van jou, maar jij wel van hem. (houden)
11. Ik op de bank en jij in mijn bed. (slapen)
12. We hem, maar hij ons niet. (begrijpen)
13. je al lang? Ik al een paar maanden. (roken)
14. Hij niet op mijn brief. (antwoorden)
15. Ik mijn oma elke week, maar mijn broer haar nooit. (bezoeken)

vBulletin analytics