PERSONAL PRONOUNS (direct and indirect object pronoun)
This is an exercise about personal pronouns in Dutch. Rewrite the following seven sentences, replacing the word or words in brackets by an object pronoun. Pay attention to correct spelling and punctuation. Type your sentence in the blank. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Ik geef Alan een boek. (Alan)
[Answer] Ik geef hem een boek.
Ik ga met Petra en Jan sporten. (Petra en Jan)
Niemand vindt mijn vriend aardig. (mijn vriend)
Kennen Petra en jij elkaar al lang? (Petra en jij)
Wil je met Marc en mij gaan zwemmen? (Marc en mij)
Lien gaat vaak met Josh naar de film. (Josh)
Ik geef je mijn telefoonnummer even. (mijn telefoonnummer)
We geven Sara een kus. (Sara)
Ik vind mijn opa erg lief. (mijn opa)
Ik zoek mijn bril. (mijn bril)
Moeten Piet en jij iets drinken? (Piet en jij)
Hij danst met zijn vrouw. (zijn vrouw)
Hij bezoekt zijn ouders. (zijn ouders)
De boer geeft het varken voer. (het varken)
Ik draag de hond in mijn armen. (de hond)
Ik geloof Pieter niet. (Pieter)
Ik geef geen geld meer aan Fred en jou. (Fred en jou).