PERFECT TENSE (strong and irregular verbs)

This is an exercise about the formation of the perfect tense of strong and irregular verbs in Dutch. Put in the blank space the correct auxiliary and past participle of the verbs in brackets. Pay attention to correct spelling. Use the 'check' button to correct your answer. By clicking on 'hint' the next correct letter of the answer will be added. Click on '?' to see the correct answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Example:
Ik _______ gisteren niet naar de televisie _______. (kijken)
[Answer] (Ik) heb (gisteren niet naar de televisie) gekeken.
1. Karin een baantje . (vinden)
2. Ik dat voor jou . (doen)
3. We vorig jaar naar Londen . (zijn)
4. De slager het vlees . (snijden)
5. Jan zijn vrienden . (helpen)
6. Jullie te veel brood . (kopen)
7. We samen frietjes . (eten)
8. Ik om 8 uur . (ontbijten)
9. Hij mijn vraag niet . (begrijpen)
10. Je een lange brief . (schrijven)
11. We de hele avond op de bank . (zitten)
12. Haar vriend mooie bloemen . (brengen)
13. Ik altijd lange haren . (hebben)
14. Jullie niets . (drinken)
15. Hij erg laat naar bed . (gaan)

vBulletin analytics