PAST TENSE (strong and irregular verbs)

This is an exercise about the formation of the past tense of strong and irregular verbs in Dutch. Put in the blank space the correct form of the verb in brackets. Use the 'check' button to correct your answer. By clicking on 'hint' the next correct letter of the answer will be added. Click on '?' to see the correct answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Example:
Ik _______ gisteren niet naar school. (gaan)
[Answer] ging
1. Tom een liedje. (zingen)
2. Jullie elke dag bij oma op bezoek. (komen)
3. Je hier nooit slapen. (blijven)
4. De hond iedere dag een koekje. (krijgen)
5. Ik gisteren de trein. (nemen)
6. We nooit erg veel. (lezen)
7. U vorige week met de docent. (spreken)
8. Hij naar Amsterdam. (gaan)
9. Jullie haar te veel. (helpen)
10. De peuter op de grond. (vallen)
11. Ik gisteren ziek. (zijn)
12. We langs de zee. (lopen)
13. Jullie die film niet leuk. (vinden)
14. Mijn ouders elke dag vlees. (eten)
15. Je nooit wat. (doen)

vBulletin analytics