OBJECTS (1)
This is an exercise about direct, indirect and prepositional objects in Dutch. List for the following five sentences the objects used. Type your answer in the blank. If a sentence consists of more than one object, separate them by commas. Feedback is given with the correct answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Examples:
Ik geef Jan de appel.
[Answer] Jan, de appel
Hij logeert bij zijn vader
[Answer] zijn vader
Hij houdt niet van haar.
Hij kijkt naar de televisie.
We beantwoorden de vraag.
Willen jullie een pizza bestellen?
Ik schenk haar mijn ringen.
Geef je hem dat potlood even?
Hans danst met zijn vriendin.
Ze herkennen ons niet.
De man klopt op de deur.
Ze leent haar zoon veel geld.
Ze mist haar kinderen.
Wanneer ga je met de docent praten?
De hemden moet ik nog strijken.
Piet en Peter ken ik niet.
In frietjes heb ik geen zin.
Naar zijn ouders luistert hij nooit.
Hans verkoopt haar zijn auto.