NOUNS
This is an exercise about Dutch nouns. Type in the blank the nouns that are used in the following five sentences. Separate the nouns by commas. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
De hond zit in zijn hok.
[Answer]: hond, hok
Het meisje speelt met haar nieuwe pop.
Mijn buren wonen in een klein huis met een grote tuin.
De taart van grootmoeder is lekker.
Ik studeer nooit erg veel voor mijn examens.
Mijn moeder werkt al jaren in een bloemenwinkel.
In dit boek staan leuke verhaaltjes.
Deze oefeningen doen de studenten niet graag.
Mijn vader en mijn broer gaan elke avond samen hardlopen.
Wanneer ga je met je vrienden naar de kroeg?
Mijn kinderen willen graag in het buitenland gaan wonen.
In dat bed slapen de katten van mijn neefje.
Op deze gitaar speelt mijn zus elke middag.
Heeft je vriendin het eten gemaakt?
Kan je de melk en het brood op tafel zetten?