NEGATION (2)
This is an exercise about negation in Dutch. Please turn the following positive sentence into negative ones, using ‘niet’ or ‘geen’. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Examples:
Hij is ziek.
[Answer] Hij is niet ziek.
Jan is een mooie man.
[Answer] Jan is geen mooie man.
Ze werkt graag met jonge mensen.
Nederlands is erg moeilijk.
De Kroeg is een gezellig café.
We willen naar de film gaan.
Ik heb een baan aan de universiteit.
Jan koopt de blauwe broek.
De kinderen spelen met de bal.
Dat is een snelle wagen.
Hij haalt goede resultaten.
Ze belt naar haar vader.
Ze wonen in Brussel.
We gaan morgen naar de bibliotheek.
Ik heb groene ogen.
Het kind wil een snoepje.
Jullie luisteren naar de radio.
Hij werkt te hard.
De kaas ligt in de koelkast.