MODAL VERBS (past tense)

This is an exercise about the formation of the past tense of modal verbs in Dutch. Put in the blank space the correct form of the verb in brackets. Pay attention to correct spelling! Use the 'check' button to correct your answer. By clicking on 'hint' the next correct letter of the answer will be added. Click on '?' to see the correct answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Example:
Ik _______ mijn kamer opruimen. (moeten)
[Answer] moest
1. Alan met Rita trouwen. (willen)
2. We niet mee naar de film. (mogen)
3. jullie niet studeren? (moeten)
4. Ik toen nog geen Nederlands praten. (kunnen)
5. De kinderen gaan slapen. (willen)
6. De hond buiten wachten. (moeten)
7. je de vragen beantwoorden? (kunnen)
8. Ik nooit naar televisie kijken. (mogen)
9. We de afwas nog eerst doen. (moeten)
10. Mijn zussen een stuk taart. (willen)
11. Hij niet mee gaan zwemmen. (mogen)
12. Ze erg goed zingen. (kunnen)
13. je gisteren een tentamen doen? (moeten)
14. Mijn vader in huis niet roken. (mogen)
15. jullie mee naar Amsterdam? (willen)

vBulletin analytics