MODAL VERBS

This is an exercise about the formation of the present tense of modal verbs in Dutch. Type in the blank space the correct form of the modal verb. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. By clicking on 'hint' the next correct letter of the answer will be added. Click on '?' to see the correct answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Example:
Ik _______ niet naar school. (willen)
[Answer] wil
Click here for a short vocabulary list

Ina is de weg kwijt.

Ina: Dag, u mij misschien even helpen? (kunnen)
Meneer: Natuurlijk, wat ik voor je doen? (kunnen)
Ina: Ik ben de weg kwijt en ik naar de Beatrixstraat. (willen)
Meneer: O, dat is niet ver. Je hier oversteken. (moeten)
Dan je rechtdoor lopen. (moeten)
Op de hoek je een kapper zien. (zullen)
Dat is de Beatrixstraat.
Ina: ik u nog iets vragen? (mogen)
Meneer: Natuurlijk.
Ina: Waar ik een telefooncel vinden? (kunnen)
Meneer: Aan de overkant van de straat.
Ina: O ja, ik zie het. Dankuwel.

vBulletin analytics