INVERSION (2)
This is an exercise about word order in Dutch sentences, and specifically about inversion. Rewrite the following seven sentences, starting with the words given between brackets. Don't forget to adjust the word order of the sentence! Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Ik woon al drie jaar in Amsterdam. (in Amsterdam)
[Answer] In Amsterdam woon ik al drie jaar.
Ik ken Lisa van mijn werk. (Lisa)
We werken in een winkel in Brugge. (in Brugge)
Ze vinden hem niet aardig. (hem)
Je vriend woont vlakbij de universiteit. (vlakbij de universiteit)
Ik woon daar ook dichtbij. (daar)
Het bier is hier niet duur. (hier)
Hij gaat misschien ook naar de bibliotheek. (misschien)
Je bent morgen jarig. (morgen)
Jullie spelen graag met de hond. (met de hond)
Ik geef Pieter nooit een kus. (nooit)
Het regent vaak in Nederland. (in Nederland)
We zitten nooit in de tuin. (in de tuin)
Hij koopt al zijn kleren in die winkel. (in die winkel)
Hij komt straks thuis. (straks)
Geert koopt bloemen voor zijn vrouw. (voor zijn vrouw)
Ze houdt niet van haar broer. (van haar broer)
We dragen een warme jas in de winter. (in de winter)
Hij draagt elke dag een pak. (elke dag)
Ze gaan naar Frankrijk met de auto. (met de auto)