IMPERATIVE
This is an exercise about the imperative in Dutch. Put the following sentences into the imperative. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation, and to whether the sentence is formal or informal! Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Examples:
Je moet een appel eten.
[Answer] Eet een appel.
U mag het raam openen.
[Answer] Opent u het raam!
U kunt gaan zitten.
Je moet deze weg volgen.
Kan je de deur sluiten?
U moet hier naar rechts gaan.
Je moet gaan slapen.
Kan je die fles openen?
Je moet je tanden poetsen.
U moet de rekening op tijd betalen.
Kan je de afwas doen?
Je moet je haar kammen.
U mag het boek nemen.
U mag de auto starten.
Je moet je huiswerk maken.
Kan je de wekker zetten?
Je moet een foto nemen.