FUTURE ASPECT
This is an exercise about the formation of the future in Dutch. Rewrite the following seven sentences, using the correct form of 'gaan' or 'zullen'. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Examples:
Wie bel je (gaan)?
[Answer] Wie ga je bellen?
Ik bel je morgen (zullen).
[Answer] Ik zal je morgen bellen.
Wat doen jullie (gaan)?
Ik help morgen mijn vrienden (zullen).
Gaan we ook naar de kroeg (zullen)?
Ze nemen dinsdag het vliegtuig (zullen).
Jan koopt een nieuwe auto (gaan).
Ik kijk televisie (gaan).
We gooien de bal (zullen).
Hij werkt in Brussel (gaan).
Schilderen we de deur (zullen)?
Hans neemt morgen de trein (zullen).
Gaan we slapen (zullen)?
Ik schrijf een boek (gaan).
Hij strijkt zijn broek (gaan).
[strijken: to iron]
De kinderen maken een tekening (zullen).
Ik studeer hard (gaan).
Je werkt in de tuin (gaan).
Ze vertrekken morgen (zullen).
Luister je naar muziek (gaan)?
Mis je je ouders (zullen)?