DURATIVE ASPECT
This is an exercise about the various ways in which the durative aspect can be expressed in Dutch. Put the sentences below into the durative aspect, using the verbs in brackets. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Examples:
Ik eet (zijn).
[Answer] Ik ben aan het eten.
Ik kook (staan).
[Answer] Ik sta te koken.
Ik kook de aardappelen (zijn).
We drinken een biertje (zitten).
Wat doet hij (zijn)?
Ze praat met de buren (staan).
Het kind maakt een tekening (zijn).
tekening, de = drawing
Jullie zeuren de hele dag (lopen).
[zeuren: to nag, to whine]
Hij schilt een appel (staan).
[schillen: to peel]
Ik was mijn haar (zijn).
De jongen leest een boek (liggen).
We wachten op de bus (staan).
Jullie maken muziek (zijn).
Ze kijken naar oude foto's (zitten).
Hij kijkt naar de sterren. (liggen)
We studeren voor het tentamen. (zitten)
Ik denk aan mijn vrienden. (zitten)
Jullie lopen in het bos. (zijn)