COORDINATING CONJUNCTIONS
This is an exercise about coordinating conjunctions in Dutch. Connect the two sentences using the conjunction in brackets. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Ik ga naar huis. Ik moet studeren. (want)
[Answer] Ik ga naar huis, want ik moet studeren.
Wil je een koekje? Wil je een stuk taart? (of)
Jan is moe. Hij gaat slapen. (dus)
Ik ben Nederlander. Ik woon in Edinburgh. (maar)
We zijn gezond. We lachen veel. (want)
Sara studeert in Amsterdam. Geert studeert in Rotterdam. (en)
Mijn vader is klein. Mijn moeder is groot. (maar)
Jan is slank. Hij sport vaak. (want)
Kom je vrijdag? Kom je zaterdag? (of)
Hij heeft honger. Hij eet een appel. (dus)
Die man is mooi. Hij is aardig. (en)
Marie is rijk. Ze is niet gelukkig. (maar)
We gaan vroeg naar huis. We hebben morgen colleges. (want)
Ik ben ziek. Ik ga naar de dokter. (dus)
Mijn vriend heeft een hond. Ik heb een kat. (en)
Het regent. Het is niet koud. (maar)