CONDITIONAL CLAUSES (2)
This is an exercise about the conditional in Dutch in the past tense and the pluperfect. Combine the sentences below by turning the first sentence into a conditional clause using 'als' and adjusting the word order in the whole sentence accordingly. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Examples:
Ik studeerde voor mijn examen. Ik zou goede cijfers halen.
[Answer] Als ik voor mijn examen studeerde, zou ik goede cijfers halen.
Ik had voor mijn examen gestudeerd. Ik zou goede cijfers gehaald hebben.
[Answer] Als ik voor mijn examen gestudeerd had, zou ik goede cijfers gehaald hebben.
Je deed vaker de was. Je zou schone kleren hebben.
De bus kostte minder. We zouden met de bus gaan.
Ik was jou. Ik zou die blauwe trui kopen.
Het had niet gesneeuwd. Ik zou op bezoek gekomen zijn.
We waren vroeg vertrokken. We zouden niet in de file gestaan hebben.
Je poetste je tanden. Je zou witte tanden hebben.
We hadden minder gegeten. We zouden niet ziek geworden zijn.
Ze studeerde minder. Ze zou niet slagen.
Hij was niet ziek geweest. Hij zou naar het feestje gekomen zijn.
Ik woog meer. Ik zou minder snel kunnen lopen.
Ik hielp mijn moeder vaker. Ze zou minder moe zijn.
Mijn ouders waren rijk. Ik zou een gemakkelijk leven hebben.
Je ging elke avond naar de kroeg. Je zou meer vrienden hebben.
Ik had sneller gelopen. Ik zou de eerste geweest zijn.
Mijn vriend was mijn verjaardag vergeten. Ik zou boos geweest zijn.