CONDITIONAL CLAUSES (1)
This is an exercise about the conditional in Dutch in the present tense. Combine the sentences below by turning the first sentence into a conditional clause using 'als' and adjusting the word order in the whole sentence accordingly. Type your answer in the blank. Pay attention to correct spelling and punctuation. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Je stuurt een e-mail. Je krijgt snel antwoord.
[Answer] Als je een e-mail stuurt, krijg je snel antwoord.
Je komt op tijd. We kunnen gaan tennissen.
De colleges gaan niet door. We hebben een vrije dag.
We hebben geld. We gaan met vakantie.
Je wordt lid van een studentenvereniging. Je leert snel veel mensen kennen.
[studentenvereniging, de: student union]
Je leert de Nederlandse taal online. Je kunt thuis studeren.
Het regent niet. Ik ga naar de stad.
We studeren hard. We halen goede resulaten.
De trein heeft vertraging. Ik kom te laat.
[vertraging hebben: to be late; to be delayed]
We eten gezond. We worden niet ziek.
Je doet elke dag de afwas. Je kamer stinkt niet.
Je lacht veel. Je wordt gelukkig.
Hij wint de wedstrijd. Hij koopt voor iedereen een biertje.
Je gaat altijd vroeg slapen. Je bent nooit moe.
Je bent een mooie vrouw. Mannen kijken naar je.
Hij is ziek. Hij zeurt de hele dag.
Ze drinken te veel. Ze hebben de volgende dag hoofdpijn.