COMPARATIVE AND SUPERLATIVE

This is an exercise about the comparative and superlative in Dutch. Put in the blank space the comparative or the superlative of the adjective in brackets as appropriate. Pay attention to correct spelling! Use the 'check' button to correct your answer. By clicking on 'hint' the next correct letter of the answer will be added. Click on '?' for the correct answer. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.

Examples:
Mijn auto is ________ (nieuw) dan die van jou.
[Answer] nieuwer

Dit is het ________ (slecht) boek dat ik ooit gelezen heb.
[Answer] slechtste
1. Ik vind Brussel een (mooi) stad dan Antwerpen.
2. Ik heb een (oud) broer en een (jong) zus.
3. Jij hebt het (weinig) bier gedronken van allemaal.
4. Jan vindt Hanna (lief) dan Karin.
5. Sara woont dichtbij de universiteit, maar Kenny woont nog (dichtbij).
6. De vrienden van Jan zijn (gezellig) dan de vrienden van Frank.
7. Ik moet (goed) resultaten halen dan vorig jaar.
8. Karin eet vanavond veel, maar Hanna eet nog (veel) en Vera eet het (veel).
9. Ik ga het (graag) naar Spanje op vakantie.
10. Hij was gisteren (ziek) dan vandaag.
11. Wat is het (mooi) land dat je ooit gezien hebt?
12. Die toren is het (hoog).
13. Dat is de (goedkoop) broek in de winkel.
14. Ik logeer (graag) bij mijn broer dan bij mijn zus.
15. Hans studeert (weinig) dan Frank, maar (veel) dan Geert.

vBulletin analytics