MAIN CLAUSES
This is an exercise about main clauses in Dutch. Type in the blank the subject and finite verb (in this order!) of the following seven sentences. Pay attention to correct spelling! Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
Hans is gisteren ziek geworden
[Answer] Hans is
Gaat hij naar Antwerpen?
[Answer] Hij gaat
Ik vertrek morgen naar Spanje.
Jullie moeten naar huis bellen.
Willen ze een appel hebben?
Vanavond gaan we onze vrienden bezoeken.
Waarom is hij niet gebleven?
Mijn huiswerk maak ik vanavond.
Met het mes snijden we het brood.
Je geeft hem geen hand.
In die warmte blijft het bier niet lang koel.
Jan en Marie trouwen in het buitenland.
Volgende week hebben we een tentamen.
In die winkel koop ik niets meer.
Karel wil graag gaan zwemmen.
Hans ken ik van mijn werk.
In de winter draagt Rita altijd warme kleren.
Frietjes eet ik niet graag.
Wat willen jullie drinken?
Die schoenen zijn erg oud.
De handdoek hangt aan het haakje.
Tom vinden we een leuke vent.